TourTourBeauchamp tower (1883)
 
 
 
 
Hydrodynamische smering is voor het eerst ontdekt in England door Beauchamp Tower (1883). Hij gebruikte een speciaal ontworpen testopstelling voor glijlagers waarin de smering werd nagebootst zoals deze voorkwam in het wiellager van een trein. De meeste experimenten waren uitgevoerd met de onderkant van de as gedompeld in een oliebad.

Tower onderzocht het effect van smering op wrijving bij een hoge glijsnelheid. Net als andere onderzoekers vond hij dat de wrijving sterk varieerde met de belasting en de snelheid, in tegenstelling met wat Coulomb had geformuleerd. Afhankelijk van het toerental vond hij een zeer lage wrijvingscoefficient van =0.001 tot 0.01.

In de eindfase van zijn onderzoek, besloot hij een olietoevoergaatje in het lager te boren. Tijdens het experiment bleek de olie door het gaatje omhoog te stromen en over de opstelling te lekken. Een houten plug om het gaatje af te stoppen werd door de olie uit het gaatje geperst. Hij monteerde vervolgens een manometer en vond dat deze niet geschikt was om de hoge druk die onstond te meten.

Naar aanleiding van Towers ontdekking publiceerde Osborne Reynolds (1886) twee jaar later een differentiaal vergelijking waarmee de drukopbouw in een dunne oliefilm werd beschreven. Het duurde daarna nog een aantal jaren voordat deze vergelijking kon worden opgelost voor oliegesmeerde radiale glijlagers.

Sassenfeld en Walther (1954) hebben de Reynolds Vergelijking met de eindige differentie methode uitgewerkt voor lagers met eindige breedte. De zogenaamde "Grafiek van Sassenfeld en Walther" wordt, ondanks de later meer verfijnde berekeningsmethoden nog veel gebruikt. In plaats van deze grafiek kan ook gebruik gemaakt worden van een analytische berekening, gebaseerd op interpolatiefuncties tussen oplossingsasymptoten.

www.tribologie.nl